Ik oordeel niet over mensen die bepaalde zaken niet lusten. Smaak, en dat bedoel ik zintuiglijk, is iets individueels. Niet zelden ontstaat “ iets niet lusten” puur door conditionering.

Mezelf als voorbeeld nemend, heb een afschuw van witte asperges – die geur! – nadat ik, na het verorberen van een goeie portie, geveld werd door buikgriep en mijn tijd doorbracht met mijn neus tegen de binnenwand van het porseleinen sanitair.

Anderzijds, heeft smaak toch ook wel iets dwangmatigs. Ook mezelf als voorbeeld nemend: voor mij dienen groenten, puur uit principe, groen of rood te zijn. Alles van de blauwpaarse variant, hoewel zeer lekker, kan ik visueel niet aan.

Beetje bizar, maar ik gun ieder zijn alimentaire neurose van harte.

Deze inleiding om te komen tot het punt van de dag: manlief en zijn aversie voor champignons. Waar die vandaan komt, geen idee, maar volgens hem is het zowel een kwestie van consistentie als van principe: het is tenslotte toch een soort schimmel op je bord.

Ik geef toe, over het algemeen op vlak van smaak, is hij geëvolueerd van een moeilijke eter naar een echte Bourgondiër, maar er was een ding dat hij met de beste wil ter wereld niet naar binnen kreeg: champignons dus. Beleefdheidsnormen beletten hem ervan om de grote stukken uit zijn spaghettisaus te vissen, maar voor hem was het hap-slik-weg.

Tijd voor een psychologisch experiment in deconditionering.

Misbruik makend van manliefs voorliefde voor de Italiaanse keuken, kocht ik een voorzichtige hoeveelheid Pioppino’s – dat klinkt toch alleszins zeer Italiaans – daarbij opmerkelijk goed geholpen door de kraamster van champignons Desmet, want vrouwen onder elkaar hebben geen woorden nodig om de subtiele manipulatie van hun man te begrijpen en te ondersteunen. Stapsgewijs hebben we de frequentie van dit ingrediënt opgebouwd, tot het de status van feestmaal heeft verworven. We breiden vandaag uit met een nieuwe soort.

Op het menu: Ravioli met ricotta, pioppino en gele oesterzwam met een pesto van rode zuring.

Aan tafel!

Annick